Fietstechniek

Rond trappen:

Positie 1 bovenin – hak naar beneden en naar voren duwen
Positie 2 voorin – naar beneden duwen
Positie 3 onderin – naar achteren “vegen” met hak licht omhoog
Positie 4 achterin – hak omhoog bewegen en omhoog trekken naar beginpositie

Bochten:

Altijd bij snelle bochten zwaartepunt laag leggen (onderin beugels).
Meekijken met bocht aan binnenbocht.
NIET remmen.
Trapper in bocht omhoog.
Trapper buiten bocht naar beneden en daar druk houden.
Bij langzame bochten iets rechterop zitten en naar buitenkant bocht iets meer hangen zodat je erg korte bochten kan draaien (met name mountainbiking).

Remmen:

Voor de bocht remmen.
Gebruik voorrem en achterrem voor bijremmen als je snel wilt stoppen zonder slip (wel achterop zadel zitten!)
In afdaling bij hard remmen achterop zadel zitten en dan voorrem en achterrem als bijrem. In afdaling altijd gedoseerd “pompend” remmen.
Bij regen regelmatig gedoseerd remmen om blokken en velgen te “schonen”.

Kop- en waaierrijden:

Als je “afgeeft” geef je sein met elleboog naar kant waar ander moet overnemen.
Bij wind van voren stuur je van de groep af in een veilige richting waarna je je laat afzakken en het laatste wiel pakt.
Bij waaier zak je recht naar achteren af, zodat je achterliggers niet hindert. Daarna als je afzakt kruip je wat tegen de waaier aan om niet teveel van het laatste wiel af te zitten. Ook houd je zo tijdens afzakken nog wat andere renners uit de wind omdat je in de wind afzakt. Daarna is het in het wiel knallen!

Carrousel- en kop-over-kop rijden:

Kop-over-kop
In feite betekent dit dat er constant doorgewisseld wordt aan kop. De koprenner geeft af en de achterligger neemt meteen over. Zo ontstaan er twee rijen renners naast elkaar. Bij een waaier heet dit “dubbele waaier”.
Carrousel
Hierbij komt de koprenner van achteruit naar voren rijden. Elke laatste man pikt dus aan in de tweede rij en rijdt naar voren om daar kop over te pakken. Dit is dus precies andersom als kop-over-kop, waar de tweede man steeds overneemt. Bij carrousel komt de overnemer met hogere snelheid op kop en houdt dan een fractie zijn benen stil om te zorgen dat het peloton constante snelheid blijft houden en er geen gat valt.
Kopbeurten overslaan:
Niet fair maar soms nodig. Dan laat je zeer kort gat en roept “tussen”.

Klimmen:

Tijdens het klimmen is het belangrijk dat het zwaartepunt zoveel mogelijk achterop de fiets wordt gebracht. Rechterop zitten dus met handen bovenop het stuur. Erg belangrijk is om netjes te blijven afwikkelen volgens beschrijving “rondtrappen”. Staand klimmen kan toegepast worden om meer kracht te kunnen zetten voor bijvoorbeeld een ontsnapping of korte klim. Dit kost ook wel meer kracht en geeft meer druk op je bovenbenen. Verstandigst is te blijven zitten. Vooral niet stoer doen om hoge verzetten te rijden maar zoveel mogelijk “blijven draaien” op souplesse. Bovenlichaam stil houden!
Staand klimmen vereist meer energie maar is soms nodig voor sprint. Let er op dat je de fiets niet heen en weer kwakt en netjes blijft “rondtrappen”. Evt. kun je met de handen onderin de beugels voor een kanonsprint…

Sprinttechniek:

Voornamelijk komt het neer op volle bak fietsen. Hiervoor is de nodige krachtopbouw in de benen belangrijk (kracht/weerstandstrainingen). Maar ook explosiviteit in hart en longen (intervaltrainingen met volledig herstel).
Een sprint kan op verschillende manieren starten. Op volle snelheid of vanuit een peloton wat stilvalt. In het laatste geval is het best om zittend hard weg te rijden om een gat te slaan en dan pas laat te gaan staan en onderin de beugels alles eruit te gooien. Bij volle snelheid geldt nagenoeg altijd dat het een kwestie is van het juiste wiel te kiezen en lang genoeg te wachten en dan meteen volle bak de sprint aan te gaan vanuit het zadel onderin de beugels.
Een veelgemaakte fout is dat er te zwaar of te licht wordt geschakeld. Schakel zo dat er op hoge frequentie nog getrapt kan worden zonder dat je “doorschiet”. 

 

 

 

 

 

 

Start typing and press Enter to search